Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog hijgt de hemel van 't hartstochthjk stormen, De woïken wijken wisselend vaneen, De sterren bouwen hun eeuwige vormen Door de eindeloosheid van Gods ruimten heen.

Slechts één Daad blijft van alle daden over, Het Lied, dat zich als sterrenbeelden bouwt Binnen Gods ruimte, naar Zijn Eeuwge wet.

O, Lied: weer grijpt ge mijn hart in uw toover,

Mijn is het hart, dat nog hijgend vertrouwt,

En weet: uw schoon wordt door geen drift ontzet.

HET RIJKE WATER

Men zegt: als de Jobsbron over zijn randen De weelden van het wellend water stort, Dat dan de zomer voor al onze landen Met schatten van oogsten gezegend wordt.

Nog rijker, als de beek Mamilla stroomt Met de Sultansbeek naar het Hinnomdal. Dan brengt de zomer zegen overal Van honing zoet en van melk zwaar geroomd.

O, dezen winter : zooveel donkre dagen Stond de regen strak tusschen aarde en lucht. En de wind sloeg met wild-woedende vlagen De zware wolken op verwarde vlucht.

Wij luisterden naar het vallend geklater Van 't water over 't dak en door de goot. Zóó rijk als dé winter ons van zijn water, Zoo rijk geeft ons de zomer van zijn brood.

Sluiten