Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Later komen van Silwan de Arabieren,

Zij vieren feest in blij-gebonden vreugd.

De Jobsbron breekt zijn water als rivieren

Naar het dal, zwaarder dan het de oudsten heugt.

Het land geploegd. Al langs de smalle wegen, Als de zon schijnt, ziet men de zaaiers gaan. Gelijk de winter ons geeft van zijn regen, Geeft ons de zomer van zijn ruischend graan.

DE PELGRIM VOOR JERUZALEM

Ik trok door diepe dalen,

Maar weder wint mijn weg den hellen top.

Met hijgend ademhalen,

Houd ik mijn open lippen op.

Mij kust de wind, en kust de zon,

Als toen mijn leven zijn tochten begon.

Beneden bloeit het Oosten, Een Stad, Jeruzalem, 'als witte bloemen teer Wat ik won, waar ik zwierf, waar ik poosde, Tot u, Stad van mijn Land, keert mijne ziel aanbiddend weer.

(Uit: Het Joodsche Lied. Tweede boek.)

Sluiten