Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En zij zingen nader en mijn hart bevangt een onmetelijk vervreemden uit dit leven, en ik loop als in een bijna overzweven naar dat rijk, waarheen ik altijd heb verlangd.

Spiegelende ligt het uit de zee verschenen

ver en in het westen en den dood voorbij —

die daar leven zingen, en zij roepen mij,

maar de zee, zij zingt en glinstert om hen henen.

Eeuwig eiland — o, der zaligen domein, waarheen onder zeilen hunner laatste droomen slechts de stervende vervoerden overkomen — waar de menschen eenzamer en schooner zijn.

En ik weet niet, is het heimwee of verlangen, een herinnering of al een voorgevoel ? Houdt het leven met een ongeweten doel mij, bevlogene, hier hunkerend gevangen ?

O, waarom dan die herinnering, waarom geen geheel onterven en een niet meer weten ? Wat kan ik hier doen ? Als ik niet kan vergeten waar ik eenmaal leefde ga ik dolend om, .

om, zonder een dak, zonder een doel, geboren aan de droeve zijde van den vreemden dood, en ik werp mij uit der menschen oude nood altijd weer in mijnen droom terugverloren ....

Toen .... een antwoord toch ? . . . . neen, een voorbijgaand menseh en zijn vluchtig avondgroeten langs mij henen ; 'kzag hem na tot hij in donker was verdwenen, toch misschien zijn broeder aan der wereld grens ?

Sluiten