Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'tWas een visscher uit het oude dorp, daarginter waar de duinen lager worden, en hij ging bukkend onder wrakhout door de schemering, denkend aan de lange nooden van den winter.

En ik ga hem na, maar langzamer dan hij, bukkend onder leed, dat ik had moeten lijden — o, verzuimde smart — o, wroeging, waar de tijden nu geen redding meer uit geven, en de zee

zingt, maar lokt niet meer, en ik blijf aangewezen op dit klein bestek van weedom en berouw, en de winteravond valt, en door de kou wankel ik — en toch, ik voel, ei is genezen

in rampzaligheid, en, huivrend, weet ik weer hoe het heimwee, dat deze aarde houdt bevlogen, mij — waarom dan ook — het zingende vermogen schonk, en verder valt er niet te vragen, en ik keer

tot het oud gehucht, dat daar ligt weggedoken, minder eenzaam toch, en zie, daar op het duin in de lage herberg waar de visschers zijn wordt de lamp nu voor den avond opgestoken.

(Uit: Voorbij de Wegen.)

Sluiten