Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Najaarsbloemen oopnen de vuurge kelken en vieren haastig bloei-verlangens uit; een binnenst bederf dat ze snel doet welken schuilt onder dunne en glanzend-kleurge huid.

Geluidloos vallen de vergeelde bladen en druppen zacht op mijn gebogen hoofd . . . Veel menschen gaan voorbij, blij en beladen : wat bracht ge jaar, van wat ge hebt beloofd ?

't Gras groende en zeisen sloopten d'eerste snede; festoenen geurden, geelde' op elke wei, de hooge zwaarbeladen wagens reden wegvoerend schelf aan schelf uit rij aan rij.

't Graan rijpte in 't veld, de jonge halmen sproten, 't stroo dorde en droogde, maar de korrel zwol; aren bogen, blinkende sikkels floten en schooven maakten leege schuren vol.

Nu krijgt de vrucht haar ronde en gulle schijnen, de schalen bersten, druivensap vloeit mild: elk land elk huis verheugt zich in het zijne, één diep hong'ren alleen blijft ohgestild

van hen wier voeten voor hun wereldsch deel kozen de zware en sloopende gangen, wier lippen plooien tot den plooi, den bangen, die lach en liefs terugdrijft naar de keel.

Hun oogst rijpt langzaamst, en hun sikkel heeft d'aren weer niet geveld waarnaar zij hijgen : hun hand blijft ledig en hun oogen krijgen 't hünkre' in den blik van wie van hopen leeft.

Sluiten