Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eer nog tusschen de bruin-geblaarde hagen de laatste rits'ling van den herfst verstomt, hoort de ziel de suiz'lende vleugel-slagen der lente die ver over bergen komt.

Men kan haar eerste flauwe reuken ruiken van uit Sneeuwkonings wit en blauw paleis en letten op haar schuchtere ontluiken tusschen zijn wildernis van klinkklaar ijs.

In onze streken vatten de getijden elkaar als zachte kinderen bij de hand tot den wissel-dans, en hun zoet verglijden maakt alle dagen aan elkaar verwant.

Maar ginder heerscht de woeste winter over al zijn gezusters, heeft hun rijk geroofd, lente af-gerukt haar krans van bloeme' en loover en 't lichte vlammen van den herfst gedoofd.

Daar is het jaar schier enkel één lang derven van levens liefste gaven : warmte en licht; roemloos worden gebore' en roemloos sterven de dagen, vaal en grauw is hun gezicht

als dat van vrouwen, arme nooit-beminde, die nimmer een kus bloem-gelijk deed zijn — en buiten raast, als een wild beest, de blinde sneeuwstorm, gruizelt elk sprietend leven fijn.

En wanneer dan, na 't over-lange wachten 't licht eind'lijk daagt, 't ijs-dek een weinig smelt,, is 't hart zoo zwak en moe van 't eindloos smachten dat het dat klein en kort geluk niet telt.

(Uit: Het Feest der Gedachtenis.)

Sluiten