Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ach, 'k had zoo graag heel, héél veel willen doen, Wat Verzen en wat liefde, — want wie mint er Te sterven zonder dees ? Maar wie ook wint er

Ter wereld iets door klagen of door woên ?

Ik ga dan stil, tevreden en gedwee, En neem geen ding uit al dat Eeven meê Dan dees gedachte, gonzende in mij om :

Men moet niet van het lieve Dood-zijn ijzen :

De doode bloemen keeren niet weerom, Maar I k zal heerlijk in mijn Vers herrijzen !

IX

O, mijn gedachten, tript nu Hef en zoetjes, Al kleine kinderen op bloote voetjes,

En speelt hoog-op een vroolijk-fluitend Hed — Nu, naast het wilde en gouden-lachend Hansje, Een niéuw klein kopje naar uw luchtig dansje

En gracelijk bewegen ziet. . .

Zien doen ze 't niet: zij kijken maar Wat wijsjes — O, zét dan uw zang op aUe zoete wijsjes

En wuift hand-groetjes uit uw verte toe.: 't Schoone is 't Schoone, al loont het met geen lachjes Wie blijdschap vinde in lief-zijn, en zachtjes

Liefde aan 't Schoone om 't Hef-zijn doe.

O, zoo die witte en edel-teêre leventjes Wisten wat reze' in uw Hedjes, zoo eventjes,

Al lust-paleisjes in de lucht, heel hoog, Voor twee heel kleine en heele mooie koninkjes Twee zacht-gekleurde en hél-doorwaaide woninkjes

Waar nooit een gouden hoofdje weenend boog.

Dichters na '80.

5

Sluiten