Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ja, tranen van smart in 's harten diep verteederen Blijven in ón-geborene gelederen

Op hunner harten diepsten grond gesust. — Al leed zou bij die lichte jeugd té deerlijk zijn, Bij hén zij spel en muziek, in één heerlijk-rein,

Bén rusteloos geluk van rust.

Lieve gedachten mijn, valt thans wat breeder uit, Dat al geluid op geluid heerlijk wéder-stuit,

Weest als een wind van geluid in de lucht: „Kinderen zijn, in der Aard-smart Koninkrijk, „Prinsen van vreugde en van jeugd-schoon koninklijk, „Makend der aarde droefgeestige woning rijk N

„Aan lach en dans en melodisch gerucht."

LXI.

Ik ween om bloemen, in den knop gebroken En vóór den uchtend van haar bloei vergaan,

Ik ween om liefde, die niet is ontloken, En om mijn harte dat niet werd verstaan :

Gij kwaamt, en 'k wist — gij zijt weer heen-gegaan . . .

Ik heb het nauw gezien, geen woord gesproken : Ik zat weer roerloos, na dien korten waan, - In de eeuwge schaduw van mijn smart gedoken:

Zoo als een vogel in den stillen nacht

Op ééns ontwaakt, omdat de hemel gloeit, En denkt, 'tis dag, en heft het kopje en fluit,

Maar éer 't zijn vaakrige oogjes gansch ontsluit, Is het weer donker, en slechts droevig vloeit Door 't sluimerend geblaêrte een zwakke klacht.

Sluiten