Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UIT DEN EERSTEN ZANG VAN OKEANOS

Okéanos, de wondre Okéands,

Hij, de eerst-geborene van donkere Aard

En heldren Hemel, ouder dan de Nacht,

Maar jong als 't Eicht, en als de Scheemring schoon,

Met blonde lokken als de Dageraad, —

Wanneer het eerste zonlicht, zonder zon,

Het eerste gele wolkje gouden zoomt —

En oogen, blauwende in dien glans en dauw

Zoo zacht, waar 't matte paarlemoêr meê speelt,

De laatste Titan lag aan Othrys' helling,

En zag, in mijm'ring, naar de hooge zon

En Hyperion, tronende in den gloed.

Want heel het hoog-opstormende geslacht Der donkre Oeraniönen was gevallen, Uit-één-gebliksemd door de hand van Zeus ! De Goden zaten op hun tronen, de één Zóo ver van d'ander, in een halven kring, Als, hier op aarde, in 't laatste licht der zon, Alom-gezien, de steigerende toppen Der Alpen zich verheffen heinde en veer.... Een ieglijk heerscher in zijn eigen rijk En omtrek, oppermachtig en alleen, Groot met den diadeem van eigen licht En eigen duister, maar toch allen saam Eén volk, één grootheid, ééne heerschappij. Zóo ook de goden in hun hoogen raad, En, schoon de ruimte tusschen troon en troon Den sterfling zou verscheem'ren in 't verschiet, Tóch kon een ieglijk, zonder dat hij rees, Den beker reiken, aan wie 't naast hem zat.

En over heel den wijden omme-trek Dier eindelooze hallen gloeide en hing Hun innerlijkste godheid, diep én stil.

Sluiten