Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als over de aarde een zonnig lente-weder.

Maar de Titans stonden En staarden zwijgend naar Olympos' kruin En klaren dag, waar Zeus, in 't licht gezeten - Van jonge majesteit, zijne oogen sloeg De wereld dóór, en dacht — of hij de hand, In gloed moest heffen, naar dien dollen nacht, Heen-dwarlende in den schok, öf zorgeloos, Met heel het heir der hcht-geschoeide goden, Opwieken zou naar hooger heemlen vreê : Want zoeter Hem één eeuwig-lichte dag, Door geene heugenis van wee beschaduwd, Dan honderd nachten, als een sluier, scheurend Voor d' enklen op-slag van Zijn aangezicht. Zóo Zeus, en om Zijn gouden troon weerklonk Een heldre lach, uit open lippen, dauwend Van nektar-droppen en den laatsten kus. Want, in de schëemring op Zijn hel gelaat, Das Kupris 't peinzen van Zijn ziel, en zóo Waar' nu de dartle stoet, in zachte zwiering, Omhoog-gewiegeld als een zomer-droom, Vèr-weg voor de oogen van dat log geslacht, — En de aarde, domm'lend onder Kronos' druk En langzaam zinkende in haar laatsten slaap, Zou lang reeds, dolend in den andren drom Der doode zonnen, door den al-nacht wanken.

Zij stonden allen, dekkende Othrys' rug, Met dichte drommen en de gansche teelt Van honderd eeuwen, dreigende in den nacht Min zwart: zooals een woud en zwarte klomp Van zware zuilen, reikende in het ruim Zóó hoog, dat Othrys' allerhoogste top Neer-dook en zonk; maar plotsling, boven allen, Hief wentelend het dof geloei zich op Uit duizend boezems, dat, naar flauwer verteri; De starren deinsden in het hol heelal.

• . ' (TJit : Verzen I.)

Sluiten