Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Kindje wil die grijpen,

En woelt zich los en bloot.

„Ach God,-hij zal bevriezen

Hier op mijn eigen schoot.

De nacht is lang, de dag komt laat.

Wie is er die ons binnenlaat ?"

Ze kloppen aan een poortje : „Ach, laat ons in uw schuur!" De huisman beurt zijn lampje : ,, „Kom binnen bij mijn vuur ; De nacht is guur, uw Kindje koud, Ik heb drie turven en wat hout." "

,, „Drie turven en wat houtjes.

Wat sintels en wat roet

Kom bij en zet u neder,

Het wordt een warme gloed.

En hier wat brood, en hier wat zaan,

Ge moet zijn papje koken gaan." "

Een nap, een houten lepel. . .

Sint Jozef roert de brij ;

Maria voêrt het Kindje,

De huisman staat op zij.

Zijn huis wordt klaar van 't hemelsch licht,

Dat straalt van Kindjes aangezicht.

Zijn nap wordt blinkend zilver,

Zijn lepel louter goud,

Een vuur van hemelsterren

Uit turven en wat hout. . .

„De nacht gaat om, de weg is wijd", —

Sint Jozef spreekt — „het wordt nu tijd

Sluiten