Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ja ■ : = ; ■

EDWARD B. KOSTER m ■ ■ a

UIT: NIOBE XI.

Het was een dag van louter warmte en licht. Verblindend blonk de zee in zonneglans, Eén rimp'lend vlak van vloeiend paarlemoer. De Horen, dochters van d' al wij zen Zeus En Themis, die met ordenend verstand Den loop der wereld richt in vaste baan, Zij, wacïrtsters van de hooge wolkenpoort, Zij hielden heel den hemel helder-blauw, Die ongerept zich rondde boven 't meer.

En Niobe stond stil bij de achterplecht

Te turen naar het langzaam-wijkend land,

En immer dwaalden hare blikken weêr

Naar den hoog-torenenden Sipulos,

Den berg dien zij zoo Hef had sinds haar jeugd.

En als zij niets meer zag van 't Eydisch land,

Géén ander land zelfs in het wijde rond.

Maar louter zee aan eiken. horizon,

Toen legde zij zich rustend in het schip,

Haar tochtgenooten mijdend, tot de nacht

In donk're neev'len oprees uit de zee.

Zoo deed zij telkens heel den langen tocht;

Sluiten