Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoodat de sebuimsneeuw warrelde om haar hoofd,

En mist van dropp'len om haar lichaam vloot;

En 'twas als lekten vuur'ge vlammen haar,

Wanneer de goud-bestraalde golvenvloed

Euid-bruisend om haar blanke voeten rees.

Waar de and're kwam, daar werd de zee bedaard,

En legde zich aan hare voeten neer,

Gedwee, gehjk een lam zich buigt voor 't staal,

Zoodat het water, waar ze kalm op ging,

Een rustig eiland werd in wilde zee,

Een stille, vochte oase in woestenij

Van fel-verbolgen golven, hoog-geschud.

Steeds volgden zij 't onrustig-deinend schip,

Op korten afstand schrijdend na elkaar,

En Niobe beschouwde lang de twee,

Die zwijgend tot haar wenkten, toen ze op eens

Hare armen strekte naar de weidsche vrouw,

Die op een stortzee rijzend tot haar kwam,

En haar het voorhoofd kuste en haren mond.

Doch de and're zag naar Niobe met smart,

En weende vele tranen in de zee.

Toen weken beiden van het zwoegend schip, -

Zich wendend, en gescheiden in hun weg,

Verdwenen zij allengskens uit 't gezicht,

Doch heten op de zee hun blinkend spoor

Van zon- en maanlichtglans een langen tijd.

Bij 't breken van de grauwende Oosterkim, Waardoor het licht met schemerenden schroom Begon te schijnen, legde zich de storm, En aan de riemen zittend, strekten zich De roeiers tot het krachtverslindend werk, En hielden vol nog vele dagen lang, Totdat zij naderkwamen bij de kust Van Griekenland, die flauw van verre rees,

Sluiten