Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PROSPER VAN LANGENDONCK

NAAR LINKEBEEK

Zomergoud smelt in den kroes der korenzee; streelensziek ritselt ze om ons met listig spel daar we nu 't kronkelend pad bestijgen, achtereen, naar de .kruin.

Daarbeneên rust, in zijn tent van donker groen, 't koele dal, even ontvlucht, en doet den blik weiflen in wislend verlangen tusschen stil genot, steiler vlucht!

Hooger streeft, nimmer voldaan, het gloeiend harjt; hooger zwoegt, rood van den tocht, de drieste bent. Hijgend betreên we den rand en drukken 's heuvelvlaks zacht en zonk.

Langs der kom mollige bocht verlokt en leidt ginds de baan waar, in een wrong van wingerdloof, loom van de gloeiende zon, de hoeve sluimert haar zwoelen slaap.

Droomenzwaar slentert de weg, van els en vlier frisch ömgeurd, heen om de woon, en — schielijk stom zien we, als het land van belofte oneindig, ' 't vergezicht blauw ontrold.

Sluiten