Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van strengere wezens, tesamenval van wat strak uitstond en mindering van bangheid en overwintering.

Onder de huizen donker en vocht, de woningen en de stratenbocht met kilte; die van de muren vliet, en voorjaarswasemen in het verschiet, in hun midden grommelig en plomp de norsche kolos, de opgaande romp van den windmolen ; zijn onderste voet nog in de bedommehng en het roet der daken, maar alreeds beschenen de rijzende bouw, de metselsteenen en verder boven het licht als room op balken en spant, het hangende toom, de vlakke muren, den omgang en op de grijze wieken, den molenkop.

De grijze wieken ... in de weeke lucht is hoorbaar het talmende gerucht van hun arbeiden; zij komen aan, vier vakken in de lucht wegslaan de uitgestokene en zij schrijven hun cirkeling, nu zij weer drijven op stroomen, die hebben meegevoerd de zonversplintering, het ontroerd ademen van land en zee, de gave waarvan de kostelijkheid met laven strijkt door hun tralieën en zij met ruime banen te loef, te lij zeilen zij door het luwe weer, vinden hun oude wisseling weer van op en onder en berg en dal omhoogtriomf en hemelval,

Sluiten