Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van aanloop stormende genomen en hartbeklemmend nederkomen, de toppen langzaam overglijden, Op glanzende ruggen huiswaarts rijden den ingekeerden caroussel, het eindeloos, eindeloos kringenspel. O, afgetreden weg, die leidt wanneer tot rust en ledigheid ? en altijd nieuw geploegde voor, waar is het zaad, dat in uw spoor mag vallen, kiemen en bestaan in dagenlengte ? . . .

Zij gaan en gaan, mijn droomend denken hecht er zich aan onmerkelijk, tot het wordt bevonden als volgde het mede in het ronde, als werd het geledigd en afgewonden. Op deze wieken en op hun spil, die immer en immer zich wenden wil, is het gegrepen en aangevat als op een kenterend spakenrad, een garenhaspel, een rafelwinder van draden, die effen en zonder hinder afwikkelen, uitkomen met geduld en onuitputtelijk aangevuld. En' deze vier armen in hun werken, deze grijsfulpene vleermuisvlerken de spichtige, zij worden behangen met zilveren spinsels, de vleugels vangen de vlossige zij, het lange lint, de wimpels strakstaand in den wind, het vlottende rag, het drijvend vhes, de pluizen alle zonder verlies, elk vlokje, iedere zwerveling

Sluiten