Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

n n

WILLEM DE MERODE

DE VAGEBOND.

De dagen zijn te lang, en krap mij toegemeten De doove rust des slaaps, van dalend licht tot licht Zoo spoedig kan ik niet verdroomen en vergeten, 'k Ontwaak, een zieken gloed op 't beenig aangezicht.

En eiken dag, als nu, zet ik mijn doelloos zwerven, Mij zeiven hoonende, opnieuw en immer voort. Mijn hart slaat jachtiger, hoe meer mijn krachten sterven, En 'k jaag, als waar 'k een dier, mij aanmettierend woord.

Ik liep vandaag genoeg, ik kan geen pad meer treden. De korte klinkerstraat ter deur is haast te veel. Mijn handen zijn te slap om 't smeekende gebeden Brood uit den bedelzak te brengen naar de keel.

In 't half gedempte licht ten deel der boerenhoeve, Sterk' mij een beter maal, de matte melodij Van triesten zang zij 't loon ; men verge van den droeve Geen luchtiger dan die: zijn vreugde is zelfs niet blij.

Bij 't dampbeslagen licht der kleine stallantaren Brengt men mij tinnen kroes en toegedekten teel. En wat htm zatheid mij verachtelijk wou sparen, Wordt tot een koningsmaal, zoo uitgezocht en êel.

Dichter» na '80. 6

Sluiten