Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan kapellen, groot en goedig, Die ze met een spinrag sturen, Dangs de bloemen overvloedig, Die de wondre tocht beturen.

En ze lachen en ze zingen, En ze wuiven met hun haren, En ze flnistren wondre dingen, Van een schat die zij bewaren:

Van een beker, wonderdadig, Gouden beker, rijk-gedreven, Door een godheid eens genadig Aan een menschenkind gegeven.

Die, van vreugde, liet hem vallen, In de diepe vijverdonkert' Waar nu vele duizendtallen Jaren hij vergeefs al flonkert,

Schoon één teug er uit genomen, Levenslang geluk zou geven, Hem, die op de vijverzoomen De' edlen beker had geheven.

Menig heeft er ook gedoken;

Maar géén mocht de vondst gelukken ;

Want de beker is gebroken,

En versplinterd zijn de stukken.

Doch wie 's nachts, als de elven lokken, Rond den vijverrand komt dwalen, Ziet de gouden schitter-brokken In de donkre diepte stralen.

Sluiten