Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PI ■

HERMAN MIDDENDORP

ü —Li

UIT: MA RA

(Twee schipbreukelingen, Silvio en Tobiaa, zijn in den nacht geland op een eenzaam eiland, dat alleen bewoond wordt door een kolonie van melaatschen. Het Lot der ongelukkigen heeft Tobias, die weggevlucht is, met afschuw vervuld; Silvio voelt slechts mededoogen, zooals uit zijn gesprek met Vader Cyprianus, den leidsman der kolonie, blijkt. Onderstaand fragment is genomen uit de eerste der drie handelingen, waaruit het spel bestaat.)

De Vader. Mijn zoon, ik hoorde hoe de hemel u

geleid heeft naar dit oord, dat iedereen

angstvallig te vermijden pleegt, gewis

met reden; maar wij zullen alles doen

wat in ons menschelijk vermogen ligt

om te verhind'ren dat het lot dergenen,

die hier vereenigd zijn, ook 't uwe wordt.

Süvio. Mijn Vader, zoo de hemel heeft besloten

dat mijn geval het uwe dekken moet,

moge berusting rijzen uit des harten schat

die lichaamskwaal nóch dood vermag te mindren.

De Vader. Zijt gij niet bang ?

Silvio. Ik was het; nu niet meer,

en zoo nog mijn gedachten in den greep

van angst gevangen lagen, zou de rust

van uwe woorden ze bevrijding brengen.

De portier. Ik zeide 't, Vader, deze vreemdeling

is niet bevreesd.

(voor zich)

Sluiten