Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deeuwrik, zoo nietig klein,

wie gaf uw stem, wie uwen gorgelslag

die kracht en klem ? Wonder ... In 't zelfde nu

hoor ik uw lied hier op den heuvel en

ginds in 't verschiet; vóór mij en achter mij

rijst uw geschal . . i Zijt. ge, als de geest van God,

al-overal ?

Prins van het zangrendom,

geest der muziek, ach l ik benijd u noch

gorgel noch wiek. Nimmer wel zing ik, als

gij slechts het kunt . . . Dichten als gi}, neen, geen

mensch is 't vergund !

Toch, o mijn leeuwerik, voel ik mij trotsch :

dichters en vogels zijn lievlingen Gods!

Dichters en vogels verdragen geen tucht;

dichters en vogels zijn vrij als de lucht!

Stemme, zoo sterk en stout,

hartje, zoo blij, vlieger, zoo batsch en boud,

ei I 'k ben als gij !

Sluiten