Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Telg van de velden, gij,

ik zelf een boer — méér dan mijn vriend en maat

zijt gij» — inijn broêr!

Zielen van eender tuk,

zoons van één land : 't vrijgestemd, boudgebekt,

heerlijk Brabant; zwijgen noch veinzen kan

ik niet noch gij : wét ons ter kele stijgt,

wij zeggen 't, wij !

Leeuwrik, waar bleeft gij nu ?

'k Hoor u niet meer . . . Stijgt gij nog hooger steeds ?

Daaldet ge weer ? Stijg tot de zon maar vrij,

schuchter noch schuw: stout is mijn ziel als gij,

zij volgt er u !

(Uit: Verzen van Noord- en Zuidnederlandsche Dichters.)

Sluiten