Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AlsgeinRoewa h-maand een bedevaalt gaat

SS nSfn ktedlfneergelegd «* mijn rei, naar

3 Sr»l~ïn ruiken in de zoete genren der blauw-kringende wierookwolken. De sembodja-boom, aan wiens koele schaduw mün kleed is toevertrouwd,

u zrjnbloemen in den schoot werpen als groeten van mij, uw kleinen jongen. Wel is de reis aanvaard, moeder, maar nog toet ik steeds aan uw zijde, , en steeds zal ik mijn aanwezen aan u openbaren.

(Uit: Melatt-knoppen.)

UIT: DE GEUR VAN MOEDERS HAARWRONG XIII

De naakte herdersknapen drijven den stoet karbouwen voor zich heen. Het zonlicht glanst op bruine lijven als tooi van goud en edelsteen.

Geen vader houdt het waakzaam oog zoo liefdrijk op hun spel gericht, gehjk de hemel van omhoog de knapen liefkoost met zijn licht.

Zij slapen op de vruchtbare aarde in boomschaduw op vochtig mos; geen moederschoot, die 't kindje baarde, is veilger dan het koele bosch.

Sluiten