Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BOROBOEDOOR I

De heuvel staat, der steenen stad ten schoor, in zeven ommegangen vast geklonken. Door vrome hand aan Boeddha's eer geschonken verrees de tempel van Boro-boedoor.

En eenzaam zwijgend in gepeins verzonken houdt hij daar stand de wankele eeuwen door, d'eerwaarden kop beglansd door gouden gloor van dorst'ger aarde koele avonddronken.

Rivieren ruischen voort naar verre kusten langs velden groenende aan den heuvelvoet, waarboven groots zijn schoonheid staat te rusten j

en heerlijk straalt in schemer-donk're nissen, schoon niemand meer zijn wij-lamp vlammen doet, het Dicht uit wonderschoone beeltenissen.

(Uit: De Geur van Moeders Haarwrong).

VIJVER EN MAAN Wie verbiedt jou te spelen, mijn kind ? Duister er niet naar.

Moeder heeft ook haar spel en speelt zoo vaak den stillen vijver bij de jonge maan. Wanneer je slaapt, dan staart zij roerloos naar je wiegje en wil van iets anders niet weten.

Zoo angst in haar oogen waart, donker als het water in den nacht, dan moet men weten, mijn kind, dat smart je zieltje verduistert gehjk een regenwolk het jonge maangelaat.

Zoo vreugde in haar oogen glanst als maanlicht op spiegelend water, dan moet men weten, mijn kind, dat een goede droom een glimlach toovert,_een glimlach op je lieve gezicht.

Sluiten