Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het krakelend geblaert der natte kruinen

rijst in een koelen poel op gruit en kroos;

het lijpend loof staat vochtig aan 't verbruinen,

lekt traagzaam poos na poos ;

de dood zit droomend in de rosse rieten

en tuurt op 't water waar 't geblaert verron . .

— o Dood, gij die mijn Vlaandren durft verdrieten! -

De verte mommelt van 't kanon.

Ach, over lage weien nevels sloomen die huivrig wazen, diep in gracht en sloot; de dorre biezen in het mijmertrage doornen begrijpen zwaar hun nood;

de weel'ge halmen staeg van glimmge druppels rillen nog groent het kroos in driesch en bron . . Maar Vlaandrens wei is leeg . . 't Is stille, stille . . De verte druischt van 't wreed kanon.

De eikel plompt in uw verstorven dreven

en beukennootjes tinklen in uw mos,

o Vlaandren, nu uw rijk en dierbaar leven

verkwijnt met droeven blos ;

uw roodgeroeste bosschen grijzig wazen

en elke kruim glanst van wat bloedge zon . .

Ik schrei om u en voel mijn hart verdwazen . .

Uw verte gonst van 't zwaar kanon.

Sluiten