Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verrast ontwaarde ik in dien jongen Mijn vroeger Ik ;

Speelsch kwam hij de eertijds Burchtlaan uitgesprongen Maar wat sinds Riddertijd verstomd was, trok zijn blik :

Ten bodem uit, pal uit struweelen Blonk ros geschut,

Afkomstig nog van een der zes kasteelen *)

Waar de oude Schie-stad door beroerd was of gestut;

Nieuwsgierig tastte in de oorlogskaken De kinderhand —

En streelde er mos !. . . En vlug in 't kennismaken Werd klautrend, eedle Burcht! uw vuurmond overmand.

„Hier" zei'k — en luisteroogjes blonken Toen 'k me overboog —

„Heeft me eens uit leeuwrikbekje een zang geklonken, Opwiekend van 't kanon, voortjuublend ginds omhoog.''

„ „Ach, kijk . . ." " riep 't knaapje, droefs ontdekkend In fraai schild'rij:

Gebogen zeulde, een lange schtutlijn trekkend,

Een teng're vrouwsfiguur—, zacht gleed de 1 a s t voorbij.

Rust hield de kleine lage molen Met blozend zeil;

Gedekt nog graasde — of onder „lauw" gescholen Eag 't bónte volkje al neer; hupsch kloste een riem

somwijl;

Dan hoorden we in de veerboot praten, Van 't Veerhuis — jok !

Een hond sloeg aan ; bij 't herdershutje blaatte, Ver weg op de' Ouden Dijk; de troep die kooiwaarts trok;

Sluiten