Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Freek's diepe herderstem verflauwde . . Geluid stierf weg;

Rechts steeg de rook die uit de hoeve blauwde, Boomknopsel glom of 't smolt, malsch plooisel droeg de

heg.

Thans leek me ons boschje in weerschijnluister Een kerkkapel;

Was 't ademtocht dien 'k hoorde, of luchtgefluister ? Elk sprietje gloeide in vrede, en damp werd kleurenspel.

En 't kind een juichkreet op de lippen,

Wees — toovernat !. . .

En kijkend zag 'k, ach! zag al half ontslippen

Waar onlangs 't veldijs smolt, het spiegelbeeld der stad.

Haar torenklokken hoorde ik spelen, Gedempt, verzoet . . .

Maar waar was 't Kind om in 't genot te deelen ? Vreemd ! was ik zelf dat kind ? één jeugdlach mijn gemoed ?

Stil Hg 'k ontwaakt uit ziende droomen Als nacht aan nacht

Elk uur van slaap, sinds 't Hcht mij werd benomen, Als halve sluimer reeds begoocbiend met zich bracht.

Verbeelding tast weêr, grijpt naar schatten — Bij 't zien me ontgaan ? — Wat twijfelblik nog even wist te omvatten, Schijn-landschap 1 klaar zie 'k U : gemis grift „winst uit

waan;"

Zie hiér **■> en 'k tart mijn blindheids donker — Die vaart, die bocht,

Sluiten