Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NASPEL

KLOKGELUI

Vaak wanneer te winteravond Hier de kerkklok komt te luiden. Hoor 'k haar galm, als op een sprookje Op iet langverledens duiden.

Van de zeekust naar den Schiekant Voel 'k mijn geest door 't luchtruim varen, .Stil op klankgolf wederkeeren In de vreugd der kinderjaren.

And're klokken, grootsch en statig Uit een eeuwenouden toren, Krijg ik dan te schemerure Weêr in 't ouderhuis te hooren.

Vader, die van 't haardvuur opkijkt, Zie 'k uw lange krullen streelen; „Kindren (peinst hij) nu hoort moeder In de kerk het orgel spelen;"

Aan zijn knie, zien we in een verte Onder 't kaarslicht op de kronen Moeder over 't boek zich buigen, Waar ze uit zingt bij orgeltonen —

Meêzingt met wel duizend menschen, Tot één stem doet handenvouwen ; Oogen toe staan stille mannen. Zitten meêgebogen vrouwen.

Sluiten