Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onderwijl, hoor 't haardvuur knett'ren — Vorst beloven weêr zijn kleuren ; In verbeelding laat een glijbaan, Nu een echte, zich bespeuren;

Gister over namaak-ijsbaan, Op met zeep besmeerde planken, Liet de meid me al schaatsenrijden Tusschen kantelende banken.

„Morgen komt de sleê van 't zolder" Vlassen, juichen, zién we al samen! Kijk de dooisneeuw maar'res bleeken — Bloemen krijgen we op de ramen . . .

Stil! aan de achterdeur hoor 'k mor'len .... Die daarnaast ook knarst weer open — Stoeiend komen buurtrawanten 't Havensteegje al uitgeloopen ...

Knap gemikt, maar rap ontweken, Barst een bom op onze ruiten! „Ei! (lacht vader, die juist opsteekt) Sloop weêr de oud're broêr naar buiten ?"

Half verblind van 't fidibusje,

Vegen wij jaloersch de glazen,

Zien we in 't maanlicht op de sneeuwka

Schimmenspel van gooiersbazen .. .

Wat een durf, om op zoo'n stillen Zondagavond zoo te dollen, Dat langs de overkantsche huizen De echo meêspeelt, meê loopt hollen !

Sluiten