Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Diep uit saamdoorleefdè jonkheid Rijst er nog een jeugdvertóóning; Vroolijk nog looft navertelhng 't Naspel in hereende woning.

En wat somber in mij welkte, Hief zich weêr met kleur en klanken ; Hoor het dorrend groen nog ruischen, Zie — u lovend — nieuwe spranken!

Dat er in den boom nog groei zit, Moet al wie ons Hef is weten; En Sintjans-lot in den vreemde, Zou 't Sintjans-klok doen vergeten ?

Ieder keer dat luchtig galmend Hier de kerkklok over 't plein luidt, Rijst voor ons de eerwaarde toren Die ver-weg volstatig rein luidt —

Rein luidt over zwarte daken, Waar met de eeuwen voortgeboren Ons geslacht zijn schouw uit opstak — En als rookwolk ging verloren ?

Wat in 't Hed zal blijven leven, Moet in 't leven ondergaan. . .l)

Toe! vertel me nog, en luister

Eer de geest van 't stiïle duister Hier de bout op 't luik komt slaan.

(Uit : Sintjana-loi; Herziene lezing).

) Schiller.

Sluiten