Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE GROTSTROOM

Het breed gewelf, door rossen gloed beschenen, Is ruig van stugge pegels, grauw en goor, Die weenen, weenen, duizend eeuwen door, En tot het eind van duizend eeuwen weenen;

En 't kromt zich over warrelrotsen henen, Waar elke traan, die viel, een traan verkoor, Om tot albast te worden, en ten schoor Aan nieuwe smart, die kegels wordt en steenen:

En daar, waar zonnestraal nooit in kon dringen, Waar nooit het oog der toorts een bodem zag, Schijnt kermend zich een reus in boei te wringen:

Wat of dat klotsen toch beduiden mag,

Dat jammeren, dat de echoos ondervingen ? . .. .

Uit diepte en afgrond stijgt een eindloos „ach!"

DORPSVESPER

Heen is de dag — de nacht nog niet geboren, En langs de bergen wademt avond-dauw, De vogel laat een laatst geneurie hooren, In roerlooze aandacht luistert de landouw:

De zwerver daalt, in ziels-gepeins verloren, In 't dal en naar 't gehucht van wit en grauw Daar klinken vrome tonen uit den toren, De star der liefde flonkert zilver-blauw :

Sluiten