Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het kerkje bracht, wie danken wilden, samen, En wierook en gezang golft uit de poort, En op het dank-gebed zegt alles: „amen." —

De zwerver schrijdt, in zoet gepeins, weêr voort:

Waar zooveel eens-gezinden samen-kwamen,

Daar sterft de haat, en wordt geen klacht gehoord.

SDUIMER

Stil! — Duizend-oogig spiegelt zich in 't meir De nacht, en laat haar bleeken luchter beven, Die honderd sneeuwen sluieren doet zweven Om 't, rond de diepte rijend, rotsenheir.

En Sluimer daalt, op vlinder-wieken, neêr, Met wuivend rijs, waaraan de druppen beven, Die, dauwend, droom en zoet vergeten geven, En zweeft, in schaduw, peinzend heen en weêr.

En in mijn dolend huikje, dat er glijdt Dangs 't kabblend zilver, zet hij zich; ik zie Hem teeder-blikkend over mij gebogen.

Hij lacht mij aan, ontplooit de wieken wijd....

Ik hoor een sluimerende melodie,

En weet met, wat mij lood-zwaar viel op de oogen . . . .

DORPSDANS

De vedel zingt, waar roos en wingerd-ranken Verliefd omhelzen 't huis des akkermans, En gloeien in den avoncUpurperglans, — En twintig menschen rijzen bij die klanken ;

Sluiten