Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het avond-maal heeft uit: van disch en banken Verdween der jonkheid blij geschaarde krans, — De vlugge voeten reien zich ten dans, En de arm buigt om de leesten heen, de slanken

Daar tripplen zij en stampen naar de maat, Terwijl de kroezen op den disch rinkinken, — En naar de wangen stijgt het vroohjk bloed:

Den oude, die daar op den dorpel staat,

Ziet men de vreugd uit lachende oogen blinken,

Tevreden, dat hij leeft, en leven doet.

DEfSCHEPER

Een zee van golvend purper, in verbazen En ademloos, verstijfd — als waar zij dood — Bij 't zien van 't eindloos-vlammend, avond-rood Zoo schijnt de heide, waar wie honig lazen

Met de' avond-last langs bloem en purper razen Om niet te keeren, vóór de nacht ontvlood. — En, scheidend, houdt de delling in haar schoot De blanke heerden, die al ruischend grazen :

De waaksche wolf, die zich geen wolf betoont, Dikt speelsch de staf-en-handen van den herder, Die twintig kudden eenzaam heeft gehoed;

En met een blik, waarin de liefde woont, Drijft hij de wit-gewolde wolkjes verder.... En ziet naar hen, de heide en de' avond-gloed.

Sluiten