Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AAN DE SONNETTEN

Sonnetten! nu der menschen oog zal staren Op u, en elk zal vonnis wijzen mogen, Die denkt, nu bigglen tranen uit mijne oogen, Die, in de toekomst, lof en schimp ontwaren.

Daar zijn er, die als schoonheid niet gedoogen, Wat zich als grootsch hun niet wil openbaren, — En wijken zie ik reeds, in breede scharen, Wie 't schoone in 't kleine alleen houdt opgetogen.

Daar zullen menschen zijn, die op u wijzen,

Als dat, waar zij geloof en liefde aan stieten

Sonnetten! zelden zal men u slechts prijzen.

Die zal u dom en onbegrijplijk noemen,

En gene als boos en goddeloos verdoemen ....

Sonnetten, klinkt! U dichten was genieten!

DE SCHIM VAN P. C. HOOFT

AAM Dr. W. DOORENBOS Ik heb de schim des drossaarts aangeschouwd.

Groot schreed hij voort, het lokkig hoofd omblonken Van rooden gloed en geluw-glanzend goud, Gehjk een god, in mijmerij verzonken.

Hoog, van de schoudren opwaarts, rees zijn leest TV srhaar te boven, die, van vreugde dronken,

Bijeengevloeid was tot zijn heugnisfeest.

Sluiten