Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En waar zij hem bewondering betaalde, Doech hij den hemel aan, der zonne 't meest, Die weder-laehte en alles over-straalde.

Een minnedicht speelde om den fijnen mond, Doorhonigd van gezang; uit de oogen daalde Zijn schalkheid, die geen droefenis verstond.

En, over 't welvend voorhoofd der gedachten, .Waarde eene waarheid, «wevend nog en bont. Waar 't klare woord en de effen verf op Wachtten.

Dus trad hij aan, in onrust-zwangre rust, Daar langs zijn fulpen dos de blikken lachten Der zon, die hem tot dichter heeft gekust.

En zóo ontving, wiens roem deez' dag vervulde, Op 't grauwe slot — zijn woon-stede — onbewust, Den dank zijns lands, der eeuwen eeuwge hulde.

(Uit: Gedichten.)

Sluiten