Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen, in zijn ouderdom, kwamen de dagen van tegenspoed, de dagen van gevaar: zijn Huis verdeeld, zijn Oversten verslagen, van angst en afschuw zijn gedachten zwaar.

't Verraad sloop rond. De Madoereesche benden drongen tot in zijn open hofstad door. Amangkoe Rat, de Keizer der Ellende, werd als het wild, de jagers op zijn spoor.

Hij vluchtte, — maar 't vermoeide leven kwijnde in 't lijf, waarvoor hij zwervend toevlucht zocht. Toen vroeg de vorst alleen, dat na zijn einde een geurig veld zijn lijk ontvangen mocht.

Hij stierf. En door zijne enkele getrouwen werd aan den uitgesproken wensch voldaan. Nu brengen op zijn graf bedroefde vrouwen haar wierook en haar wilde bloemen aan.

Kinderen spelen er, bejaarde wijzen zoeken den boom,, die van den heuvel helt en schaduw schenkt, — en vrome pelgrims reizen eerbiedig naar het zoet geurende veld.

(Uit: Tochten.)

DE VOGED

Den ganschen langen nacht had diep in de spelonken een groote vogel over de eenzaamheid gedwaald. Dan, hoog, was hij den rand der rotsen omgezwonken, en dan weer op de zee, loom drijvend, afgedaald.

Sluiten