Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tegen 't duin de lichten van de huizen .... En heel achter, aan den versten rand, Gloeiend als een pas begonnen brand, Maneschijn op donkere kerkhofkruisen.

In een stoet van grijze wolkenvlokken, Trekt de maan naar 't Zuiden, naar de zee, Al wat jong is, voelt zich aangetrokken,

Visschersmeisj es waden langzaam mee : Voeten scheemren onder donkere rokken En weerspieglen in de blanke ree !

ZONSONDERGANG

Blauwe wolkenmassa's . . . ., zilvren zoomen .... Zwevend als een donzen vederlast, Als gebloemt op dof getint albast, Anjelier naast leliën aan 't droomen.

Plotseling licht! In breede, heldre stroomen, 't Golvental doorfonklend, dat er plast, En met gloed, die telken stonde wast, Ziet de schijf der zon men langzaam komen.

't Goud verdoft.... de schijf wordt matter, ronder, 't Blauw der lucht vervloeit tot paars smaragd. In den vuurbol gaat de schijf reeds onder....

Daar verdwijnt de gloeiende atlasvracht:

Nog een streepje, een vonk : vergaan is 't wonder —

De avond daalt onhoorbaar, langzaam, zacht!

Dichters na '80. 8

Sluiten