Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De brokkelige bogen

Van 't gothisch spitsboograam

Zijn weeldrig overtogen

Van mos en klimop saam;

Maar wat er niet meer groeien wil,

En wat er niet meer bloeien wil,

Zijn de adellijke jonkvrouwen

Met kap en wijde^mouwen.

D*e zon werpt lange stralen Eangs 't eenzaam riddergraf, Maar niemand komt er dalen De steenen trappen af; Toch wat er nog wel groeien wil En wat er nog wel bloeien wil, .En 't dichterhart doet zingen, Zijn stille mijmeringen!

SCHADUW DN 'T BOSCH.

Op open plek in 't bosch, met rondom varen En blank van maanlicht, kruipt met vreemd geglij Een reuzenschaduw langs de stammenrij, Wijd uitgespreide vingers over blaren.

Rond-weemlend als goud-zwarte vlammenparen, Soms puntig hoog als takkig hertgewei, Sliert 't ook wel wild uit, zooals 't wijd gesprei Van woest geschudde, losgebonden haren.

Sluiten