Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het meisken zong, en zangrig-zacht klonk trillend uit de snaren, muziek weemoedig, onverwacht, die luistren doet en staren.

Wie zong mij ooit dat liedje voor, bij 't oud spinet als jongen ? 't is of ik nóg dat zingen hoor van wie het heeft gezongen.

Wie zong het in een zomernacht, toen klaar de sterren blonken ? ik weet alleen dat zuiver-zacht het bedje heeft geklonken. . .

Het meisken zong bij 't oud spinet en wiegde weg en weder, en sierlijk-net in 't menuet ging 't hoofdjen op en neder.

Het meisken zong zoo edel-fijn een dansje diep verborgen, één schreef van liefde en zonneschijn van Mei en van den morgen.

• (Uit: Johanneshind.)

MAKKER, WIND

Makker, wind, wil mij geleiden, bij het zwerven langs de heiden, bij het dwalen langs het meer, waar ik stil-aandachtig luister naar het zoevende gefluister, dat doet droomen, telkens weer.

Sluiten