Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo ook de menschen

oud en schraal,

ze hebben niets te wenschen alles lijkt kaal.

CIV

Hij liep in een tuin en trapte alle bloemen dood. Hij plukte er maar éen en die bloeide heel rood. De bleeke bloemekens konden hem niet schelen, wél de fel-roode, die kon zijn hart streden. Haar geur bedwelmde hem zoo zeer, dat hij niet zag de bleek-treurende, die teer van hefde beefde voor zijn trotsche ziel en stervend voor zijn voeten viel.

CXXXVI

't Is herfst: de boomen verhezen hun bladeren. Ik zoek vergeefs, 't Schoone wil mij niet naderen, 't wil mij niet kussen, 't wil mij niet beminnen Waar moet ik heen, wat zal ik beginnen. Ook 's winters wandel ik in guren wind. Mijn ziel heel angstig als een verdwaald kind, dat vragend roept: ach, waarom vind ik niet den lieve die mij teer bemint. Ach, ik arm, verdwaald, verloren kind.

(Uit: Nieuwe Venen.)

Sluiten