Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gulden tuin in wiens gulden schaduw Rood en blauwig verspreid Bloemen weven een bonte waduw, Lachende lieflijkheid.

Koren, koren pralend en prachtig, Trotsch als een man in zijn kracht, Buigzaam en smedig, in massa machtig, Vrouwelijk week en zoo zacht.

Koren, gewonnen tot bloeiend wonder, Groot in uw rijpenden droom; Groot in uw drift, die er stuwde van onder Sneeuwjacht en stortvlagenstroom.

Koren, o weelde, welbehagen Waar ik uw drijven zie: Wolken bevlaggen en winden bevlagen De eeuwige melodie.

De oogen verdwazen . .. De roes uwer geuren, Geur uwer warm-zwangere aar, Weet mijn ontkrachte kracht te beuren, Waar 'k op uw schoonheid staar.

Schoonheid der rijpende zomers, koren Bronnend in gouden geruisch, Opgestraald uit de vochtige voren, Koren heiligfen kuisch.

Koren vroom, dat God houdt verscholen: Hemelscher weelde woon . . . Daarom, koren, vóór alles verkoren, Werdt gij zoo wonderschoon !

(Uit: De Beiaard 1916).

Sluiten