Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik ben geboren met den zwaren doem,

Dat nimmer ik het oogenblik zou smaken;

Dat 'k treuren zou om een verflenste bloem,

'Wijl frissche knoppen geurend openbraken, —

En dan alleen verlangen naar een zoen,

Als nooit die mond mijn voorhoofd meer zou raken.

Nooit zal 't bezit van huis of kind of man Mijn hunkrend harte blijvendé bekoren, Maar, uitgedreven door een wreede ban, Zal 'k altijd omzien, naar van waar ik kwam, En weenend wenschen, wat ik heb verloren.

VOOR MIJNE MOEDER

Zou ik u dan niet minnen, die mijn leven

Het eerst gevoeld hebt, en met vreugd verwacht,

Dat gij mij in den bangen barensnacht

Van uwe liefde 't eerst bewijs zoudt geven ....

Die, vóór 'k u kendë, of u danken kon, In schoon geduld uw lasten hebt geleden, En wakend met gedachtén en gebeden, Mijn zorgloos leven met uw zorg omspon.. .

Die, nu de wereld mij heeft opgedreven, Tot waar uw simple ziel zich vreemde vindt, Door kracht van goedheid mij aan 't plekje bindt, Waar later altoos kind ik ben gebleven. ..

Sluiten