Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAC. SCHREURS

DE LEEUWERIK

„Wat zong het vroolijk vogelkijn..."

Zingend uit zonnegoud Druppende korenwóud Tril, ik, klein liedje, U tegen, Stil in den glans van Uw Zwevende licht-schaduw Stijg ik en sta ik, gestegen.

Daar waar de sterren staan Roep ik Uw luister aan, Boven de wegen, de winden ; — Zilver-zoet zingen moet Eeuwig mijn liedje goed U, dien ik zoek en niet vinde.

Die in het paradijs

Bevend mijn parel-grijs

Kleedje van licht hief te blinken:

Die me mijn rokje spon,

Die mij dit klokje vol

Klare robijnen liet drinken.

Sluiten