Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JULIANUS APOSTATA

Alleen in 't eenzaam Goon-gewijde woud Stond stil de Caesar in gepeins verzonken, Niet meer de heilige offervaten blonken, Rings om den tempel schoot verwilderd hout,

Hij dacht, hoe vroeger offers menigvoud Werden volbracht, terwijl de hymnen klonken Tot eer der Goden en met gouden vonken De vuren woeien naar hun lokken-goud.

Doch plots van ver door 't wijde woud ging ruischen Een lofzang klinkend hoog uit helle kelen, Aanzwellend zwaar tot donker-dondrend druischen.

En machtloos tegen 't nieuw geloof der velen Den Galhleeër eerend, bleef hij staren, Doods-droevig, daar zijn Goon verwonnen waren.

(Uit: De Eenzame Weg *.)

WANNEER GIJ GODEN IN NABIJHEID WEET . . .

„Wanneer gij Goden in nabijheid weet" „Spreekt dan niet over hen", zoo zeiden de Ouden. Zij kenden hen aan 't ruischen van hun kleed En vreesden dat zij weêr verdwijnen zouden.

Zoo zingt de dichter in zijn lied van leed Of vreugde wonderbarig, niet der goudenlokkige goden, die hij steeds beleed En die, devoot, hij wil geheiligd houden.

* Uite. C. A. J. van Dishoeck, Büssum.

Sluiten