Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALBERTINE STEENHOFF'Smulders

KORENBLOEMEN

De zoete zomer, de zonnetijd, Met zijn roodgouden mantel,

zijn glinstrend habijt, En zijn heldere kroon van saffieren, Is door het wuivende graan gegaan, Waar de lustige leeuwnk

zijn nestje heeft staan En de vluchtige vlindertjes zwieren.

De zoete zomer, de zonnezoon, Vlocht van goudblonde aren

een princelijke kroon Als hij ging door het ruischende koren; Nam zijn blauwe iuweelen bijeen En hij wierp ze stil lachende

ver van zich heen. Dat zij niemand meer zouden behooren.

Maar telken maal als de zonnezoon, Met zijn roodgouden mantel

en goudblonde kroon. Zijn hoogtijdag houdt in het koren, Ziet hij er tusschen 't ritslende graan Al maar helblauwe, peinzende

bloemekens staan, In droomrigen weemoed verloren.

Sluiten