Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SEPTEMBER IN 'T GOOI

De dag is koel en glanzend, de morgen glinstert

van dauw,

De nevel wuift van verre een dundoek van zilver

en blauw,

— Vèr over de blanke weiden in klaren zonneschijn — Waar witte zeilen flitsen of 't vlugge vogels zijn. Herfstnevel over de weiden, herfstnevel over de zee, Herfstnevel, gouddoorgloeide, glijdt met de zonne

■ mee.

Er zingt een late vogel in 't laagland hoog en hel, Er tinkelt achter boomen een heldre torenbel. Stil wenden, vóór de hoeven, naar 't stralend

najaarslicht

De schittergele bloemen hun vragend zongezicht. De dag is koel en glanzend, de morgen glinstert

van dauw,

Rood gloeit de wingerdranke in 't ijle luchteblauw; De dag is koel en glanzend, de nevel fonkelt lijk

goud ....

Maar trage vallen de blaren gestage in 't beukenwoud.

RENOUVEAU

Het is de wind, die langs het venster gaat, De schijn van 't late lamplicht op den muur, Het is de weemoed van een eenzaam uur, 't Geneurie van een liedje op de straat....

Ik hoor een stap, die lang is heengegaan, In 't licht getrippel van heel kleine voetjes, Waar roode lipjes keuvelen heel zoetjes Een stem wier tale wij niet meer verstaan.

Sluiten