Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De stammen zwaaiden en hun vuurkroon deed Vlammende vlagen stuiven waar Froh reed. En door dit ijle woud stormde hij voort; Toen was 't voorbij ....

Er kwam een ledig oord Van vreemde stilte en verre schemering, Waar ieder licht in rood en geel verging, Zooals wen de avondzon een blanke wei Verheen doet glanzen en met tooverij Van duiz'lend licht vol giet. De horizont Verschemerde tot waar daar boven stond De maan haar kring te spreiden om zich heen. Ter andere zijde, en dieper, nog beneên Froh's blikken, woelde een zilver-stralend meer Van glans-begoten wolken. Want het heir Der nevelreuzen was daar breed geschaard In slagorden en waakte er over de aard. Zij hielden hun gebolde schilden dicht Boven de grimme hoofden, dat geen licht Zou lekken naar omlaag. Wijdbeen gekromd Tot in 't oneindig deinden opgedromd De wolkenrijen, en nog meen'ge schaar Kwam van bezije aandringen, zwaar misbaar Slaande uit hun schilde' en speeren. Dangzaam ging Dit wolkleger zich spreiden tot een ring Van ondoorzichthjkheden om Froh rond; En voor het eerst weifelde 't windtos, stond Te rillen in het kille en vochte waas Dat hem omdwarlde, en voor het krijgsgeraas Der damp-verhulde reuzen voer een schrik Hem door de pooten, en een oogenblik Bleef het daar steigren alsof er een kuil Diep voor hem lag gedolven ; uit zijn muil Slierde het schuim langs borst en flanken neer.

Sluiten