Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De reuzen brulden ; meer en telkens meer

Stormden zij aan; wild joegen zij dooreen,

En drongen op en stuwden weer uiteen;

Hun monden gromde' als donder. Toen begon

Eroh's glanzeblik te ontgloeien tot een bron

Van felle vonken en hei-sproeiend licht;

En waar hij heen zag spleet een kromme schicht

Knettrend de schilden. Dan sloeg er een zwerm

Ontwapend neer, en hulpeloos gekerm

Grolde uit de diepten, klagend als 't geloei

Van bange rundren, tot weer overwoei

Dreunende strijdgalm en het rauw getier

Van nieuwe horden, 't Windros stond nog stier

Te staren naar het tuimelend beweeg

Der wolkgedaanten, maar toen Froh zich neeg

Over den kop en er zijn vingren liet

De manen streelen rilde 't langer niet,

Maar brieschte en stampte en sloeg de pooten hoog

En ver vooruit en sprong in wijden boog

Den grauwen afgrond in. En als een rots

Vallend in zee 't water met zwaar geklots

Ten grond toe splijt, zoo kliefde 't ros een kloof

Diep door den neveldam. En ov'ral stoof

't Geslagen heir te vlucht; als een rukwind

Wervelden naar beneên, verdoofd en blind,

De reuzen in verschrikte' en warren drom.

Sommigen huilden luid, maar grof gegrom

Gromden de meesten en nog menig keer

Wendden zij om en stelden zich te weer.

Dan schoten bliksems los en sloegen wild

Rondom en sprongen voort van schild op schild;

En waar die gruizelden goot er een vlaag

Van rege' en hagel gierend naar omlaag.

(Uit : Venen.)

Sluiten