Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AVONDROOD

Een zachte galm van verre kloosterklokken Vervult de lucht, die zilvren duiven kHeven. En klankloos dalen blanke bloesemvlokken Op 't grasfluweel, vol sneeuw van madeheven.

Het zuiderkoeltje omvloeit zoo zoel mijn lokken, Terwijl ik blader in mijn oude brieven, Als wilde 't mij tot nieuw geluk verlokken. Laat af, o lente ! ik wil niet weder heven.

De gouden zon zinkt in haar bed van rozen, En al de boomen strekken, trülend-teeder, Hun bloeiende armen uit naar 't hemelblozen.

Ik drink de ziel van meidoorn en seringen. Vol stillen weemoed daalt gij op mij neder, Mijn avondrood van schoone erinneringen !

DE WED

Als een die, wandlend in een groot groen woud, Een wijle neerzit bij een waterwel, En in zijn handen 't water schept, dat snel Vervliet, tot hij geen druppel overhoudt;

En, in gepeinzen, telkens wêer dat spel Herhaalt, als had hij nimmermeer aanschouwd Hoe 't vonklend vocht, als levend zonnegoud, Zich niet laat vangen in de kleine cel ;'

Sluiten