Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En zie ! 't is rood. Met wanhoop in het hart, Ontvliedt hij 't heilloos huis. Hij heeft geen moed Tot leven meer en weldra wiegt de vloed Een bleek, dood man, die zonde kent noch smart. —

Zoo heb ik al mijn kansen op geluk

En al mijn levensdroomen, stuk voor stuk,

Verspeeld .... en 't noodlot wees mijn hef de op u.

Ik waagde een handvol gouden droomen nog, 't Was alles wat mij overbleef en toch Verloor ik weer . . . . o ziel, mijn ziel, wat nu ?

HERFST

Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren, De sappige applen glansen, rood en goud. En prachtig prijkt, gehjk een tooverwoud, Het bosch dat groen in purper doet verkeeren.

Krachtige balsemgeur uit kreupelhout Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.

Nu vul die vaas met gele Octoberrozen, Leg blauwe druiven op die blanke schaal, Tusschen de trossen laat de perzik blozen Als avondrood, en loof als bloedkoraal Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen, Die symphonieën zoekt in kleurentaal.

(Uit; Poëzie.)

Sluiten