Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VUURWERK

Hoog boven 't grasveld, waar de dichte merrigt', Met gragen blik, haar duizend hoofden opheft, Schiet, slank en snel, de gioeiendgoaden vuurpijl, Gelijk een ziel, die opstreeft naar de sterren, Van de aard ten hemel, buigt, in ranke ronding, Den spitsen kop en werpt, met dondrend knallen, Zijn klenr'ge kogels, blauwgroen en robijnrood, Den vijver toe, die ze opneemt in zijn schoot, Dia klieft nu pijl op pijl het zwarte zwerk door. Nu zwenkt een zon en zaait haar gouden regen, Dan, reuzengroot, verheft zich aan de kimmen Een kruis van licht — en zie! in roode laaie Staan fluks geboomte en vijver, heel het landschap Nu zwemt de gansche tuin in klaar smaragdgroen. En prachtig prijkt, als ook die lichtzee wegsterft, Het groote stuk: een gouden korengarve, Die openbarst, een reuzentuil van roode En blauwe zilvren bloemen naar omhoog zendt, Eén straalfontein van bonte kleuren, dankgroet Der bloeiende aarde aan gindschen milden hemel. Doch knal na knal verdooft; alom heerscht nacht weer. In dichte neevlen hult de blauwe kruitdamp Den donkren tuin, terwijl de menigt' wegstroomt. En, hoog verheven, boven wind en wolken, Aan 't zwijgend zwerk, tintelt éen enkle ster.

(Uit: Verzen.)

Sluiten